los
mannelijk (de)/lɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) bepaald soort zoogdier, , een katachtige met een korte staart
Etymologie
#niet stijf, vlot, ongedwongen, ongegeneerd
Uitdrukkingen
- Als los zand aan elkaar hangen — zaken die niets met elkaar te maken hebben die samengebracht worden
- De beer is los
- Een steekje aan los zijn — iets klopt er niet aan
- Er zit bij hem een steekje los — die is niet helemaal goed bij zijn hoofd
- Op losse schroeven staan — helemaal niets zeker zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek