loslaten

/ˈlɔslatə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) niet langer vasthouden
    Hij liet haar niet los.
    De angst werd paniek en ik wist dat ik moest kiezen: de bodem loslaten en naar de kust zwemmen, of al stappend blijven vechten tegen de onderstroom, en dan oververmoeid raken, waarna de zee me zou meenemen naar onbekende dieptes.
    Toen was het mijn beurt en ik bond een steen aan een lang stuk touw, hield de grote lussen in mijn linkerhand, gaf een harde slinger en liet los.
  2. niet meer in bedwang houden
    Die mensen zou ik graag in de zaal hebben, op hen zou ik mijn acteurs maar wat graag loslaten; een publiek dat helemaal niets verwacht behalve dan dat ze twee uur kwijt zijn die ze van hun leven niet meer zullen terugkrijgen. {{Aut|Harstad, Johan
  3. niet langer ergens emotioneel bij betrokken zijn
    Ik moet Casper loslaten en wat wij hadden respecteren en eren.
    Wij vonden 25 kilometer per dag al prima, terwijl jullie nu ruim 40 kilometer per dag doorjakkeren. Neem toch de tijd, zoiets maak je maar een keer in je leven mee. Het heeft me nooit losgelaten na al die jaren.’
    Aangezien ik voornamelijk over de toekomst nadenk en constant met nieuwe plannen in mijn hoofd rondloop, moest ik opnieuw leren genieten van het hier en nu en mijn gevoel voor tijd totaal loslaten.