lossen
/ˈlɔsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) losser makenHet regime lijkt de ijzeren greep op het land wat te lossen.
- (ov) afschietenTijdens de achtervolging losten de agenten een aantal schoten.
- (ov) ontladen, afladenHet schip lost zijn lading in de haven.
- (ov) zich ontdoen vanDe renner loste in de laatste ronde zijn laatste medevluchter.
- (inerg) afhaken, achteroprakenDe geletruidrager kon nog even bij het groepje aanhaken maar moest toen toch lossen.
Etymologie
*afgeleid van los
Vertalingen
Engelsloosen, fire, unload
Duitslockern, abfeuern, abschießen
Spaansdescargar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek