lossen

/ˈlɔsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) losser maken
    Het regime lijkt de ijzeren greep op het land wat te lossen.
  2. ov (ov) afschieten
    Tijdens de achtervolging losten de agenten een aantal schoten.
  3. ov (ov) ontladen, afladen
    Het schip lost zijn lading in de haven.
  4. ov (ov) zich ontdoen van
    De renner loste in de laatste ronde zijn laatste medevluchter.
  5. inerg (inerg) afhaken, achteropraken
    De geletruidrager kon nog even bij het groepje aanhaken maar moest toen toch lossen.

Etymologie

*afgeleid van los

Vertalingen

Engelsloosen, fire, unload
Duitslockern, abfeuern, abschießen
Spaansdescargar