lues

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlywɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) seksueel overdraagbare infectie met de bacterie
    In zijn Cypria, tot schrik van haar bondgenooten en redding der gestruikelden, behandelt Titsingh de lues en waarschuwt hij tegen de toen nogal gebruikelijke hoge doses kwik en de daarmede bewerkstelligde kwijlkuren in de behandeling van de syfilis.

Etymologie

*van Latijn "lues venerea" opgebouwd uit "lues" "pest" en "venerea" "van Venus", "Venuspest, liefdespest"