luipaard
/ˈlœypart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) bepaald soort zoogdier, , een katachtige
Etymologie
*via Middelnederlands "lupaert", Oudnederlands "lupart" en "lupart" van Latijn "leopardus" ("leo" betekent "leeuw" en "pardus" "panter"); als bijnaam aangetroffen vanaf 1183 en in de betekenis van ‘katachtige’ vanaf 1285
Vertalingen
Engelsleopard
Fransléopard
DuitsLeopard
Spaansleopardo
Italiaansleopardo
Portugeesleopardo
Russischлеопард
Chinees貔, 豹, 豼
Japansヒョウ
Koreaans표범
Turksleopar, pars, panter
Zweedsleopard
Deensleopard
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek