lust
mannelijk (de)/lʏst/
Wat is de betekenis van lust?
lust betekent: (seksualiteit) seksueel verlangen, geilheid, wellust
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (seksualiteit) seksueel verlangen, geilheid, wellust
- behoefte of verlangen (zin om) iets te doen
- plezier, genot
Voorbeelden van "lust" in een zin
- Hij gaf toe aan zijn dierlijke lusten.
- Na die vermoeiende dag had hij geen enkele lust meer om dat te doen.
- De zaak was voor Arend zijn lust en zijn leven.
- Daar komt nog eens bij dat zijn werken een lust voor het oog zijn, zonder ooit zoetsappig te worden.
Etymologie
*Lust betekent begeerte, hevig verlangen. Het woord verscheen omstreeks 1265-1270 in de Middelnederlandse taal, onder invloed van het Oudhoogduitse, Oudfriese en Oudengelse lust, het Oudsaksische lusta en het Gotische lustus. Het woord hangt samen met het Latijnse lascivus, "dartel", het Oudgriekse lilaiomai, "ik begeer", en Oudindisch lasati, "hij streeft
Uitdrukkingen
- De lust is mij (jou/hem/haar, ...) vergaan — Ergens geen zin meer in hebben
- Zijn lust botvieren — Een verlangen bevredigen
- Wel de lusten, niet de lasten — Alleen de aangename kant van iets willen ervaren
Vertalingen
Engelsdesire, lust, sexual pleasure
Spaansdeseo, lujuria, voluptuosidad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek