maag

mannelijk/vrouwelijk (de)/max/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) orgaan in de buik dat dient om voedsel te verteren
    Voedsel gaat vanuit de slokdarm naar de maag.
    Maar zelfs de contouren van zijn piemel door zijn beige broek kunnen me niet afleiden van de paniekerige kramp die zich in mijn maag heeft genesteld.
  2. de organen van het maag-darmstelsel die in de buik zijn gelegen
    Met knorrende maag verwarmde ik een zak vriesdroge spaghetti bolognese op mijn JetBoil Minimo gaspit.
    Ik kleed me aan om te kijken of er beneden in de bar van het hotel nog iets valt te snaaien, want de flessen wijn op onze kamer zijn leeg en mijn maag knort.
    Na twee glazen vraagt hij of ik ook wat wil eten en hoewel mijn maag instemmend rammelt, zeg ik uit beleefdheid nee, wat dus in het Grieks klinkt als ja.

Etymologie

* In de betekenis van ‘verwant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Uitdrukkingen

  • Ergens mee in zijn maag zittenMet een onopgelost probleem zitten (en daardoor veel stress hebben)
  • Iemand iets in de maag splitsenIemand met een probleem opzadelen; iemand iets geven wat alleen maar voor last of ongemak zorgt
  • Met een baksteen in de maag geboren wordenEen huis voor zichzelf willen hebben
  • Zwaar op de maag liggenGezegd van iets dat een moeilijk probleem vormt
  • De liefde van een man gaat door de maag.Een vrouw kan de relatie met haar man goed houden door goed te koken
  • De ogen zijn groter dan de maag.Gezegd als iemand meer wil eten dan hij/zij op kan (zie ook buik)

Vertalingen

Engelsstomach
Fransestomac
DuitsMagen
Spaansestómago
Italiaansstomaco
Portugeesestômago
Japansお腹
Arabischمعدة
Turksmide
Poolsżołądek
Zweedsmage
Deensmave