maar
mannelijk/vrouwelijk (de)/mar/
Betekenis
voegwoord
- nevenschikkend voegwoord dat een tegenwerping inleidt, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of daarmee inhoudelijk contrasteertHet is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil.
zelfstandig naamwoord
- bezwaar, tegenwerpingDe maar van jouw voorstel is dat ik het moet betalen.Zij gaven na veel mitsen en maren toch toestemming.
- (aardrijkskunde) mare (ketelvormige verzakking in niet-vulkanisch gesteente)
- slechtsIk heb maar drie euro op zak.
- bij gebrek aan beter, niet wetend wat anders te doenIk heb maar gezegd dat ik het opnieuw zou proberen.Ik zou nou toch nog maar wel eens even goed nadenken!
Etymologie
:: nǣre, : nur, (: niwāri), : mar (Oudfries: mar, mer, newēre)
Uitdrukkingen
- Gewogen maar te licht bevonden. — gekeurd en afgekeurd worden
- Het maar een weet zijn of Het is maar een weet — als het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer
- Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt — hij heeft iets gehoord, trekt conclusies, maar kent niet het totaalplaatje
- Laten we het daar maar op houden.
- Niet om de knikkers, maar om het spel. — het gaat niet om het winnen, maar om het spel
- Veel geschreeuw maar weinig wol. — veel woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht
- een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
- geen woorden, maar daden.
Vertalingen
Engelsbut
Fransmais, cependant
Duitsaber, sondern
Spaanspero
Italiaansma, però
Chinees可是, 但是
Japansしかし, が, でも
Koreaans그러나
Arabischاَمّا
Turksama, ancak, hariç
Poolsale
Zweedsmen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek