maar

mannelijk/vrouwelijk (de)/mar/

Wat is de betekenis van maar?

maar betekent: nevenschikkend voegwoord dat een tegenwerping inleidt, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of daarmee inhoudelijk contrasteert

Betekenis

voegwoord
  1. nevenschikkend voegwoord dat een tegenwerping inleidt, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of daarmee inhoudelijk contrasteert
zelfstandig naamwoord
  1. bezwaar, tegenwerping
  2. aardrijkskunde (aardrijkskunde) mare (ketelvormige verzakking in niet-vulkanisch gesteente)
  3. slechts
  4. bij gebrek aan beter, niet wetend wat anders te doen

Voorbeelden van "maar" in een zin

  • Het is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil.
  • De maar van jouw voorstel is dat ik het moet betalen.
  • Zij gaven na veel mitsen en maren toch toestemming.
  • Ik heb maar drie euro op zak.
  • Ik heb maar gezegd dat ik het opnieuw zou proberen.

Etymologie

:: nǣre, : nur, (: niwāri), : mar (Oudfries: mar, mer, newēre)

Uitdrukkingen

  • Gewogen maar te licht bevonden.gekeurd en afgekeurd worden
  • Het maar een weet zijn of Het is maar een weetals het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer
  • Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangthij heeft iets gehoord, trekt conclusies, maar kent niet het totaalplaatje
  • Laten we het daar maar op houden.
  • Niet om de knikkers, maar om het spel.het gaat niet om het winnen, maar om het spel
  • Veel geschreeuw maar weinig wol.veel woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht
  • een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
  • geen woorden, maar daden.

Vertalingen

Engelsbut
Fransmais, cependant
Duitsaber, sondern
Spaanspero
Italiaansma, però
Chinees可是, 但是
Japansしかし, が, でも
Koreaans그러나
Arabischاَمّا
Turksama, ancak, hariç
Poolsale
Zweedsmen