maar

mannelijk/vrouwelijk (de)/mar/

Betekenis

voegwoord
  1. nevenschikkend voegwoord dat een tegenwerping inleidt, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of daarmee inhoudelijk contrasteert
    Het is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil.
zelfstandig naamwoord
  1. bezwaar, tegenwerping
    De maar van jouw voorstel is dat ik het moet betalen.
    Zij gaven na veel mitsen en maren toch toestemming.
  2. aardrijkskunde (aardrijkskunde) mare (ketelvormige verzakking in niet-vulkanisch gesteente)
  3. slechts
    Ik heb maar drie euro op zak.
  4. bij gebrek aan beter, niet wetend wat anders te doen
    Ik heb maar gezegd dat ik het opnieuw zou proberen.
    Ik zou nou toch nog maar wel eens even goed nadenken!

Etymologie

:: nǣre, : nur, (: niwāri), : mar (Oudfries: mar, mer, newēre)

Uitdrukkingen

  • Gewogen maar te licht bevonden.gekeurd en afgekeurd worden
  • Het maar een weet zijn of Het is maar een weetals het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer
  • Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangthij heeft iets gehoord, trekt conclusies, maar kent niet het totaalplaatje
  • Laten we het daar maar op houden.
  • Niet om de knikkers, maar om het spel.het gaat niet om het winnen, maar om het spel
  • Veel geschreeuw maar weinig wol.veel woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht
  • een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
  • geen woorden, maar daden.

Vertalingen

Engelsbut
Fransmais, cependant
Duitsaber, sondern
Spaanspero
Italiaansma, però
Chinees可是, 但是
Japansしかし, が, でも
Koreaans그러나
Arabischاَمّا
Turksama, ancak, hariç
Poolsale
Zweedsmen