macht

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
    De macht van de grote banken is in het Amerikaanse Congres goed te voelen.
    Leren geeft kennis, kennis geeft macht, macht om onafhankelijk te blijven.
    Volwassenen denken dat ze macht bezitten, maar eigenlijk bezit de macht hen.
  2. geopolitiek, metonymisch (geopolitiek), (metonymisch) een staat die zijn invloed doet gelden
    Van een wonderbaarlijk wereldrijkje zijn we vervallen tot een economisch machtje zonder inspraak in de wereldpolitiek.

Etymologie

*[3]: verbastering van maag, verwijzend naar maagschap: met alle (leen)mannen en hun aanverwanten

Uitdrukkingen

  • Bij machte zijn [om]Iets kunnen, tot iets in staat zijn
  • Eendracht maakt machtWanneer mensen goed samenwerken, kunnen ze op die manier veel bereiken
  • Kennis is machtWie veel weet, kan daarmee veel invloed uitoefenen
  • Met man en macht [iets doen]Gezamenlijk en/of met alle beschikbare middelen hard aan iets werken/ iets gedaan proberen te krijgen
  • Uit alle machtMet inzet van alle voorhanden zijnde middelen

Vertalingen

Engelspower
Spaanspoder, poderío, potencia
Russischвласть, держава