macrobioot

mannelijk (de)/ˌmakrobiˈjot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhanger van een bepaalde holistische leer op het gebied van voeding en gezondheid
    Pas in de slothoofdstukken trekt Scruton zelf zó van leer tegen voedingsindustrie en agribusiness dat een macrobioot het hem niet zou verbeteren.
    Macrobioten kijken op eigen wijze naar ziekten. Kanker bijvoorbeeld zien zij als een gezonde manier van het lichaam om gifstoffen kwijt te raken. Zover moet men het echter liever niet laten komen.

Etymologie

*terugvorming uit "macrobiotiek" zonder het achtervoegsel "-iek"