magie
vrouwelijk (de)/maˈɣi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt door met rituelen, symbolen en bezweringen de hulp van bovennatuurlijke machten in te roepen.
- een heel bijzonder ietsDit keer rookte ik twee dikke joints achter elkaar in de hoop eindelijk te ontdekken waar de magie zat.
Etymologie
*van "magique", in de betekenis van ‘toverkunst’ aangetroffen vanaf 1650
Vertalingen
Engelsmagic
Fransmagique
DuitsMagie, Zauberei
Spaansmagia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek