magie

vrouwelijk (de)/maˈɣi/

Wat is de betekenis van magie?

magie betekent: toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt door met rituelen, symbolen en bezweringen de hulp van bovennatuurlijke machten in te roepen.

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt door met rituelen, symbolen en bezweringen de hulp van bovennatuurlijke machten in te roepen.
  2. een heel bijzonder iets

Voorbeelden van "magie" in een zin

  • Dit keer rookte ik twee dikke joints achter elkaar in de hoop eindelijk te ontdekken waar de magie zat.

Etymologie

*van "magique", in de betekenis van ‘toverkunst’ aangetroffen vanaf 1650

Vertalingen

Engelsmagic
Fransmagique
DuitsMagie, Zauberei
Spaansmagia