Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

magied

mannelijk/vrouwelijk (de)/ma'Ι‘it/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (rondreizend) prediker
  2. joods leraar (tweede van drie graden waarvoor examen wordt gedaan, naast darsjan en moree)

Etymologie

* Herkomst: Hebreeuws, letterlijk: 'berichter, verteller, prediker'

Vertalingen

Engelsmaggid, magid