Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
magied
mannelijk/vrouwelijk (de)/ma'Ι‘it/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (rondreizend) prediker
- joods leraar (tweede van drie graden waarvoor examen wordt gedaan, naast darsjan en moree)
Etymologie
* Herkomst: Hebreeuws, letterlijk: 'berichter, verteller, prediker'
Vertalingen
Engelsmaggid, magid
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek