maidenspeech

mannelijk (de)/ˈmedənˌspiːtʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de eerste rede die iemand uitspreekt na de ambtsaanvaarding
    Van Goethem, die vandaag zijn maidenspeech geeft en naar eigen zeggen niet de minste zenuwen voelt, benadrukt voor alle duidelijkheid dat het om een ‘los en theoretisch maar niettemin interessant idee’ gaat. In de nabije toekomst wil hij ernstig nadenken over de praktische kant van de zaak. ‘De lat laag leggen en inboeten op kwaliteit is namelijk niet de oplossing’, zegt hij aan De Standaard.De Standaard 29/09/2016 door Van onze redacteur Maarten Goethals
    Ze heeft er al zes jaar in de Eerste Kamer opzitten, dus een groentje is ze niet, maar toch houdt ze graag voor de zomer haar zogeheten maidenspeech. ,,Ik lig er niet wakker van, maar het zou zonde zijn als het debat niet doorgaat. Het doorslaande EU-monster is een van de redenen waarom ik in de politiek ben gegaan, daar wil ik het over hebben. Als het over het reces heengaat, zijn we zo twee maanden verder. Brussel staat ondertussen niet stil.’’ Tubantia Deborah Jongejan en Laurens Kok 06-07-2017

Etymologie

* samenstelling uit het Engels

Vertalingen

Engelsmaiden speech