mailbom

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vloedgolf van vele en/of grote e-mails, bedoeld om de ontvangende computer lam te leggen
    Mailbom treft studenten Saxion: ‘de berichten bleven maar komen’: Alsof er een bom was ontploft in hun mailbox. Studenten van hogeschool Saxion in Deventer, Apeldoorn en Enschede kregen de andere na de andere mail. Het datalek is opgelost, problemen voorbij. En vooruit: ze konden er soms zelfs om lachen.
    Een nep waarschuwing per e-mail. Daarin worden mensen bijvoorbeeld ten onrechte voor een nieuw virus gewaarschuwd. Door de oproep dit aan zo veel mogelijk mensen te sturen, ontstaat er een mailbom, die het mailverkeer kan ontregelen en zelfs lamleggen.

Vertalingen

Engelsmailbomb