makaron

mannelijk (de)/makaˈrɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) klein rond luchtig gevuld koekje gemaakt van amandelspijs en eiwit, met naar plaats en tijd verschillende bereidingswijzen, vanaf de twintigste eeuw ook twee zulke koekjes op elkaar met een zachte vulling ertussen, vaak met opvallende kleuren
    Doe room op makaron, daarop frambozen en dek af met nog een makaron.

Etymologie

*van "macaron", gebruikt voor verschillende koekjes van amandelspijs en eiwit Fransch en Nederduitsch Woorden-Boek 4e druk (1762) Jan van Eyl, Amsterdam; p. 670 Fransch en Nederduitsch Woorden-Boek 6e druk (1793) Jan van Eyl, Amsterdam; p. II-85 De nieuwe, welervarene Utrechtse keuken-meid, confituuremaakster, en huis-doctores (1769) G. van der Brink Jansz., Utrecht; p. 74 recept in: Volkskunde; Nederlandsch tijdschrift voor Volkskunde jrg. 27, nr. 1 (1922) Hoste, Elsevier, Gent; p. 164

Vertalingen

Engelsmacaroon, macaron
Fransmacaron