makreel
mannelijk (de)/maˈkrel/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) bepaalde soort zeevis, , familie van de makreelachtigen zoals tonijn en boniet
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "makereel" en Oudnederlands "makerel" van "maquerel" (: "maquereau") dat vermoedelijk weer teruggaat op een Oudnederlands woord *makelāri; in de betekenis van ‘beenvis’ aangetroffen vanaf 1163
Vertalingen
Engelsmackerel
Fransmaquereau
DuitsMakrele
Spaanscaballa, escombro
Italiaanssgombro
Portugeescavala
Turksuskumru
Zweedsmakrill
Deensmakrel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek