malaria

mannelijk/vrouwelijk (de)/maˈlariˌja/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht , op mensen overgebracht door malariamuggen
    Aantal doden door malaria sterk gedaald. Vorig jaar overleden 'slechts' ongeveer 584.000 mensen aan de ziekte! [http://www.nu.nl/gezondheid/3948314/aantal-doden-malaria-sterk-gedaald.html www.nu.nl]
    Het was een medicijn tegen malaria, een van de boosaardigste ziektes van Afrika.

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘moeraskoorts’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847

Vertalingen

Engelsmalaria
Fransmalaria
DuitsMalaria
Spaansmalaria, paludismo