malchance

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pech
    ‘C’était la malchance,’ hoorde ik hem zeggen tegen een ploegmaat die zich bezorgd over hem heen boog. Botte pech, niet meer dan een voetnootje in de sportgeschiedenis die volgde: het voetbalwereldkampioenschap van Les Bleus, Moscou. HP de Tijd 16/07 | 2018 door:Jeroen Wielaert [https://www.hpdetijd.nl/2018-07-16/hp-tour-11-on-the-road-again/ HP/De Tour: On the road again]
    Wat 'n malchance! jammeren zij. (1980)–Cyriel Buysse [https://www.dbnl.org/tekst/buys009verz06_01/buys009verz06_01_0330.php In 't klompjesland]

Etymologie

* uit het Frans