mandoer
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) in het voormalige Nederlands-Indië een leider van een werkploeg of meesterknecht op een fabriek, of de opzichter en onderhouder van een publieke plaats, zoals een badinrichting of een park. Een mandoer was altijd een IndonesiërDe mandoer was in dienst van de planter.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek