mangel

mannelijk (de)/ˈmɑŋəɫ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een werktuig met twee tegen elkaar draaiende rollen om wasgoed tegelijk glad te strijken en er het vocht uit te persen
  2. plantkunde (plantkunde) mangelwortel
  3. in mangel; in ruil
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) gebrek, fout
  2. verouderd (verouderd) gebrek (aan iets), ontbreken (aan iets)
  3. verouderd (verouderd) tekortkoming
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd, informeel, plantkunde (verouderd), (informeel), (plantkunde) amandel

Etymologie

*(f)/(m): Nederlandse nevenvorm van amandel.

Uitdrukkingen

  • (iemand) door de mangel halen(iemand) scherp bekritiseren of ondervragen
  • (iemand) in de mangel nemenhet (iemand) in allerlei opzichten moeilijk maken
  • bij mangel vanbij gebrek aan

Vertalingen

DuitsMangel, Futterrübe, Austausch