mangel
mannelijk (de)/ˈmɑŋəɫ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een werktuig met twee tegen elkaar draaiende rollen om wasgoed tegelijk glad te strijken en er het vocht uit te persen
- (plantkunde) mangelwortel
- in mangel; in ruil
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) gebrek, fout
- (verouderd) gebrek (aan iets), ontbreken (aan iets)
- (verouderd) tekortkoming
zelfstandig naamwoord
- (verouderd), (informeel), (plantkunde) amandel
Etymologie
*(f)/(m): Nederlandse nevenvorm van amandel.
Uitdrukkingen
- (iemand) door de mangel halen — (iemand) scherp bekritiseren of ondervragen
- (iemand) in de mangel nemen — het (iemand) in allerlei opzichten moeilijk maken
- bij mangel van — bij gebrek aan
Vertalingen
DuitsMangel, Futterrübe, Austausch
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek