mangelen

/ˈmɑŋələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ontbreken, tekortschieten
  2. ov (ov) ruilen, aan ruilhandel doen
  3. ov (ov) door de mangel halen, met een mangel glad maken

Etymologie

*[zelfstandig naamwoord] van (vernederlandste vorm)

Vertalingen

Engelslack, trade, mangle
Fransmanquer, échanger, calandrer
Duitsmangeln, fehlen, austauschen
Spaansfaltar, trocar, calandrar