mangelen
/ˈmɑŋələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- ontbreken, tekortschieten
- (ov) ruilen, aan ruilhandel doen
- (ov) door de mangel halen, met een mangel glad maken
Etymologie
*[zelfstandig naamwoord] van (vernederlandste vorm)
Vertalingen
Engelslack, trade, mangle
Fransmanquer, échanger, calandrer
Duitsmangeln, fehlen, austauschen
Spaansfaltar, trocar, calandrar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek