mankeren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. onpr (onpr) een gebrek hebben
    Het mankeerde hem aan doorzettingsvermogen.
  2. absol (absol) iets ~ aan: een gebrek vertonen
    Er mankeerde van alles aan die vertaling.
  3. absol (absol) iets ~: een ziekte of gebrek hebben
    Hij heeft nog nooit iets gemankeerd.
  4. ov (ov) te laat zijn om mee te reizen
    Hij liep hard, maar mankeerde toch de trein.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘missen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588