mankeren
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (onpr) een gebrek hebbenHet mankeerde hem aan doorzettingsvermogen.
- (absol) iets ~ aan: een gebrek vertonenEr mankeerde van alles aan die vertaling.
- (absol) iets ~: een ziekte of gebrek hebbenHij heeft nog nooit iets gemankeerd.
- (ov) te laat zijn om mee te reizenHij liep hard, maar mankeerde toch de trein.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘missen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek