mansarde

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑnˈsɑrdə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) verblijfsruimte direct onder een schuin dak

Etymologie

*(eponiem) van "mansarde", afgeleid van de familienaam van de 17e-eeuwse Franse architect , die vaak schuine daken met een knik gebruikte om de zolderverdieping meer nuttige ruimte te geven; in de betekenis van 'zolderkamertje' voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824

Vertalingen

Spaansbuharda, buhardilla