mantel

mannelijk (de)/ˈmɑntəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) omhullend kledingstuk
    Zij sloeg een sierlijke blauwe mantel om haar schouders en stapte naar buiten.
    Ik was in de gang en trok mijn mantel aan om naar je ooms kantoor bij de voc te gaan.
    Waarom Sinterklaas een nieuwe rode mantel kreeg
  2. techniek (techniek) omhulsel rond het eigenlijke apparaat
    Deze mantel dient enerzijds ter bescherming, maar tegelijktijd ter verwarming van het instrument.
  3. tweekleppigen (tweekleppigen) benaming voor schelpdieren uit de orde

Etymologie

*via Middelnederlands """ van middeleeuws Latijn "mantellum", in de betekenis van ‘overjas’ voor het eerst aangetroffen in 1220

Vertalingen

Engelscloak, mantle, surface
DuitsKammmuschel
Spaansabrigo, capa, manto
Russischплащ, кожух