Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
manufactuur
vrouwelijk (de)/ˌmanyfɑkˈtyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) op grotere schaal met de hand vervaardigen van producten door meer vakmensen in één werkplaatsDeze productiewijze vormt een overgang tussen ambachtelijke en industriële productie als het gaat om arbeidsdeling, schaalvergroting en mechanisatie.Ik zou ze willen vergelijken met de grondbezittende adel rond het Franse hof van het ancien regime, die zich officieel verre van handel en manufactuur hield maar in feite op allerlei manieren betrokken was bij niet-agrarische activiteiten.{{ouds
- (bedrijf) onderneming waar meerdere vakmensen samen met de hand producten vervaardigenRuim duizend gulden voor drieëntwintig delen is naar moderne maatstaven nog niet veel. Duur is pas Meissner porselein, waarvan eenzelfde combinatie meer dan tienduizend gulden kost. Of Herend uit Hongarije, een oude manufactuur die het communisme heeft doorstaan en sinds de bevrijding jaarlijks duurder wordt. Herend heeft uitsluitend handgeschilderde, traditionele decors, en er hangt nog steeds een waas van exclusiviteit omheen.De kleine manufactuur beschikte over dertien weefgetouwen, waarvan er tien werkelijk stonden opgesteld.
- (bedrijf) horlogefabrikant die complete uurwerken zelf kan ontworpen en vervaardigenDe term manufactuur is de aanduiding voor uurwerkbedrijven die hun eigen uurwerken ontwerpen en fabriceren.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) geweven stof (vanaf de 20e eeuw alleen nog als meervoud){{oudsEenmaal volwassen trouwden de vrouwen, ondanks pogingen om in Amsterdam leuke jongens te ontmoeten, allebei met een Tukker. Annie werkte in de gezinszorg, Gerda bestierde in Enter met haar man kruidenierszaak Mekenkamp. Later handelde de zaak ook in manufacturen. Of zoals een familielid het verwoordt: "Jullie verkochten ook lingerie." Tubantia Ron Hemmink 13-04-2017
Etymologie
* via "manufacture" van middeleeuws Latijn "manufactura" "handwerk"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek