Marathon

mannelijk (de)/ˈmaraˌtɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) een hardloopwedstrijd over 42,195 kilometer lengte
    Hij heeft de marathon gewonnen.
    Na South Lake Tahoe ging de knop om en liep ik direct vier dagen achter elkaar een marathon van 42 kilometer per dag.
  2. overdrachtelijk iets dat bijzonder lang volgehouden wordt
    Dat overleg zal wel weer een marathon tot in de kleine uurtjes gaan worden.

Etymologie

*van het Griekse plaatsje

Vertalingen

Engelsmarathon
Fransmarathon
Spaansmaratón