marcheren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
    Zij hadden al enige uren gemarcheerd.
    De mannen laten een grote stofwolk achter en marcheren moeizaam de Amsterdamse ochtend tegemoet.
  2. erga (erga) ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
    Ze waren nog niet over de brug gemarcheerd toen het zwaar begon te hagelen.

Etymologie

*afgeleid van het Franse marcher () [https://fr.wiktionary.org/wiki/marcher Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsmarch, walk
Fransmarcher
Spaansmarchar