markies
mannelijk (de)/mɑrˈkis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (adel) adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
- (adel) heer van een markizaat
- luifel die beschermt tegen de zon
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelsmarquis, marquess
Fransmarquis
DuitsMarquis
Spaansmarqués
Italiaansmarchese
Zweedsmarkis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek