Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
markusa
/mɑrˈkusa/
Wat is de betekenis van markusa?
markusa betekent: (fruit) vrucht van de
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) vrucht van de
Voorbeelden van "markusa" in een zin
- ‘Moeder koopt onder de markt kubi, snoek, sukwa, soepgroente, kumbu, groene bananen, markusa, meloen, pun, zoete patatten, kukalesi, koekjes, zuurgoed van augurk en kroepoek (of krupuk?). Wat zullen we smullen!’
- Siroopsmaken die vaak terug te zien zijn op zo'n "schaafkar" zijn: cola, kokos, tamarinde, amandeldrank (orgeade, (h)orchatta), passievrucht (markusa/maracuja) en ananas.
Etymologie
* uit het Surinaams - Nederlands
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek