marmot
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (knaagdieren) knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehoudenIk hoopte stiekem een beer te kunnen zien baden in de rivier, maar was ook wel tevreden met alle herten, eekhoorns, marmotten, vogels en de Amerikaanse adelaar.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1761
Vertalingen
Engelsmarmot
Fransmarmotte
DuitsMurmeltier
Spaansmarmota
Italiaansmarmotta
Portugeesmarmota
Russischсурок
Turksdağ sıçanı
Poolsświstak
Zweedsmurmeldjur
Deensmurmeldyr
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek