marren
/ˈmɑrə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (verouderd) niet voortgaan, stilstaan, treuzelen
- (ov) (verouderd) tegenhouden, belemmeren
- (ov) (verouderd) wachten, afwachten
Etymologie
*van Middelnederlands "marren", "merren"; cognaat met "mar" "verpesten, bederven" en "merja" "verpletteren"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek