maskeren
/mɑsˈkerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) de ware aard van iets verhullenSterke kruiden maskeerden de smaak van het halfbedorven vlees.
werkwoord
- (refl) zich ~: een masker opzetten.Zij maskerden zich voor een gemaskerd bal.
Etymologie
*[B] afgeleid van "masker"
Vertalingen
Fransmasquer
Spaanstapar, encubrir, ocultar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek