massa

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɑsa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, scheikunde (natuurkunde), (scheikunde) totale hoeveelheid materie in een object (gewicht is massa bepaald aan de hand van de graviteit of door de inertie van dat object)
    Bij de fusie van de zwarte gaten ontstond een zwart gat dat meer dan 225 keer zoveel massa heeft als onze zon.
  2. grote hoeveelheid
    Het was haar niet genoeg geweest om zich tussen de schone schijn van het leven van de Schlosses te bewegen, nee, ze had nog dichterbij willen komen, bij de littekens en de puistjes en de hete rode massa van hun hart.
  3. menigte
    Uiteindelijk wisten naar schatting 300.000 voetballiefhebbers het stadion binnen te dringen, wat het beroemde tafereel opleverde dat een politieagent te paard probeerde de massa achter de lijnen van het veld te dwingen om de wedstrijd te kunnen laten beginnen.
    Beide partijen in de toenemende strijd beschouwden de ander als een gezichtsloze, virale massa die het politieke lichaam besmette en uit de maatschappij moest worden gesneden.
  4. elektrotechniek (elektrotechniek) geleidende verbinding met de aarde
  5. geheel van gelijksoortige materie dat een bepaalde bewerking of verandering ondergaat

Etymologie

*[5] via Middelnederlands "masse" en "masse", in de betekenis van ‘stuk, homp’ aangetroffen vanaf 1287 en in de betekenis van ‘toebereide stof’ vanaf 1644

Vertalingen

Engelsmass, accumulation, heap
Fransmasse
DuitsMasse
Spaansmasa, acervo, cúmulo