Mast
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) lange, rechtop staande paal midden op het schip waaraan vlaggen, zeilen en/of ra's bevestigd kunnen worden
- palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
- lange paal voor vlaggen - vlaggenmast
- hoge antenne
- varkensvoer, bestaande uit eikels en beukennoten
Etymologie
* In de betekenis van ‘paal’ voor het eerst aangetroffen in 1080
Uitdrukkingen
- de mast strijken
- de mast kappen
- voor de mast dienen
- voor de mast zitten
Vertalingen
Engelsmast, pylon, pole
Fransmât, mâtereau, mestre
DuitsMast, Mast, Mast
Spaansmástil, palo, árbol
Italiaansalbero
Poolsmaszt, słup, maszt
Zweedsmast, mast, stång
Deensmast
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek