Mater

vrouwelijk (de)/ˈmatər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (rooms-katholiek) vrouw die aan het hoofd van een klooster staat
    De Bils was in de zomer van 1663 gevraagd om in Den Bosch het lijk te onderzoeken van een non, die reeds in 1658 was gestorven. Het ging om de edelvrouwe Maria Margaretha van Valckenisse, mater van een klooster in Oirschot.
  2. plantkunde, verouderd (plantkunde) (verouderd) moederkruid , vroeger wel gebruikt voor het opwekken van weeën en het tegengaan van kraamvrouwenkoorts
    Mater wast gheerne in drooghe plaetsen by oude mueren en dijer ghelijcken rouwe plaetsen.

Etymologie

*via Middelnederlands "mater" van Latijn "mater"