mauser

mannelijk (de)/ˈmɑuzər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vuurwapen uit de twintigste eeuw tot de Tweede Wereldoorlog
    Mevrouw, het is nodig om de boeren te bewapenen. Op zijn minst met een mauser.
    Een groep emigranten richt het 450 man sterke Hollander Korps op, stelt zich onder bevel van J.P.L. Lombard, een Kapenaar, en wordt uitgerust met paarden en mausers.

Etymologie

* van "Mauser", (eponiem) dat via de naam van de fabriek teruggaat op de achternaam van de uitvinders, de 19e-eeuwse Duitse broers en ; in de betekenis van ‘soort geweer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1904