mazelen

meervoud/ˈmazələ(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) kinderziekte veroorzaakt door een morbillivirus en gekenmerkt door rode stipjes op de huid
    {{p
    De mazelen hebben een populatie met een flinke bevolkingsdichtheid nodig om zich goed te kunnen verspreiden.
    De mazelen hebben hun intrede in onze gemeente gedaan.
werkwoord
  1. erga (erga) mazelen hebben

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands "masels", mervoudsvorm van māsel (f) ‘zweer of vlek op de huid’, ontwikkeld uit Oergermaans *mēslō- ‘huiduitslag’, verkleinwoord bij *mēsōn-, waaruit Middelnederlands māse (f) ‘vlek, smet’; verdere herkomst onbekend. Evenals Nederduits Masseln, Messels, Duits Masern en Fries hûnemiezel ‘omloop, zweer aan vinger rondom nagelwortel’.

Uitdrukkingen

  • gepokt en gemazeld in

Vertalingen

Engelsmeasles
Fransrougeole
DuitsMasern
Spaanssarampión
Italiaansmorbillo
Russischкорь
Turkskızamık
Poolsodra