medicijnen

/mediˈsɛinə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geneeskunde als studierichting
    Na zijn studie wijsbegeerte volgde nog een tweede studie en promotie in de medicijnen, waarna Kraijenhoff zich als arts in Amsterdam vestigde.
    Hij was bevriend geraakt met een befaamde tv-professor in de medicijnen. Zijn vrouw ervoer de vriendschap als een extra verzekeringspolis. Maar het academisch ziekenhuis was in een andere stad, zestig kilometer verderop.

Etymologie

*"medicijn" met de uitgang -en