meibock

/ˈmɛibɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) een Nederlands bokbier. Het bier wordt traditioneel vanaf de vastentijd tot mei verkocht
    In een les over seksualiteit met uitweidingen over hiv-infecties, in-vitrofertilisatie en resusfactorcomplicaties gaat het mis als een buitenissige gepiercete ADHD-leerling ontremd door ecstasy, meibock en qat op scabreuze wijze Alex' theorieën becommentarieert, wat leidt tot totale chaos.