mensenhaat

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heftige afkeer van mensen
    In de donkere ogen die strak vooruitstaren, liggen afgronden van mensenhaat, het gebaar waarmee de kleine, bijna vrouwelijke handen zich automatisch ballen en weer openen is een gebaar van vernietiging.
    In zijn jeugd had hij zich op een middag een paar uur in een naburig dorp gewaagd en gemerkt dat zijn mensenhaat extreme proporties aannam.