mezelf

/məˈzɛɫf/

Betekenis

voornaamwoord
  1. eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van me
    Het kan mezelf niets schelen.
voornaamwoord
  1. eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van me
    Ik heb mezelf eens flink verwend.
    Daar kroop ik, nog in de greep van de angst, mijn slaapzak in en rolde mezelf tot een kleine bal.