middag

mannelijk (de)/ˈmɪdɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) het midden van de dag, 12.00
    In het hele taalgebied verwijst middag naar het midden van de dag, het middaguur.
  2. tijdrekening (tijdrekening) (in Nederland) het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur; namiddag
    In de middag zijn de meeste mensen nog aan het werk.
    De periode van de dag die men in Nederland als middag aanduidt, wordt in België meestal namiddag genoemd.
    Die middag loopt Nella langzaam door de gangen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) het midden van het leven

Etymologie

* samenstelling van mid (midden) en dag

Uitdrukkingen

  • [3] de middag van het levende middelbare leeftijd

Vertalingen

Engelsnoon, afternoon
Fransmidi, après-midi
DuitsTagesmitte, Mittag, Nachmittag
Spaansmediodía
Italiaansmezzogiorno, pomeriggio