middagdienst

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kerkdienst die men in de middaguren viert
    Jaap had hetzelf in de middagdienst bijgewoond; hij was er van de bank voor opgerezen en op zijn teenen gaan staan toen hij uit-de-verte groomoe had herkend in het 'hekje', die Doortje ten doop hield; hij kon de witte 'sprei' zien, die aan haar armen was vastgespeld en haar schuine hoofd.
  2. werkperiode tijdens de middaguren