mij

/mɛi/

Betekenis

voornaamwoord
  1. accusatief en datief van ik, eerste persoon enkelvoud.
    Hij ontsloeg mij.
    Hij gaf mij een baan.
  2. vorm van ik na een voorzetsel.
    Van mij hoef je niets te vrezen.
    Ze kocht een mooi cadeautje speciaal voor mij.
    Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.
afkorting
  1. afkorting (afkorting) maatschappij
voornaamwoord
  1. eerste persoon enkelvoud.

Etymologie

* In de betekenis van ‘persoonlijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • Mij een zorg ( of kopzorg)!
  • Dat is gesneden koek voor mijDaar heb ik geen moeite mee
  • De vingers jeuken mij
  • Dit steekt ( of zit) mij in de krop
  • Een licht gaat mij op
  • Het ligt mij op de leden
  • Jij haalt mij de woorden uit mijn mond
  • Na mij de zondvloeddat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren

Vertalingen

Engelsme
Duitsmir, mich