minheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vervelende, gemene handeling
    Ja, oprecht-boos, om de minheid van de menschen, kan ik mij nog maken. Gij moogt mij gerust uitlachen; gij hebt gelijk, dat zij verachtelijk zijn, en dus niet verdienen dat men zich om hun minheid ergert. Anna de Savornin Lohman De Hollandsche Lelie. Jaargang 23(1909-1910) [https://www.dbnl.org/tekst/_hol003190901_01/_hol003190901_01_0006.php Correspondentie van de redactie met de abonnés]

Etymologie

* afleiding van min