miniuitrusting

vrouwelijk (de)/ˈminiˌʔœytrʏstɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zeer beperkt gehouden geheel van gereedschappen, hulpmiddelen of kledingstukken voor een bepaald doel
    Zijn concurrent had een busje waarin met een heel scala van gereedschappen, maar hij kon in zijn kleine auto alleen een miniuitrusting meenemen.

Etymologie

*afgeleid van "uitrusting"