mis
mannelijk/vrouwelijk (de)/mɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) een eucharistieviering, de katholieke eredienst waarin het sacrament van de eucharistie wordt gevierdDe mis is zojuist begonnen.
werkwoord
- (vooral als naamwoordelijk deel van het gezegde) fout, verkeerdHet is nu goed mis!'Hoelang hebben julliem Wat was er mis met mij? Waarom was ik niet ' Isaac kwam op haar aflopen.Ingrijpen doe ik alleen als het echt mis dreigt te gaan en dan nog zo zuinig mogelijk.
Etymologie
* Van Latijn missa (heenzending), afgeleid van het Latijnse mittere (zenden). Vermoedelijk afgeleid van de laatste woorden van de mis Ite, missa est (ga, het is de heenzending).
Uitdrukkingen
- Parijs is wel een mis waard. — om een voordeel te behalen bij tegenstanders aansluiten
- niet mis zijn — zeker zo goed zijn als verwacht mag worden
- het mis hebben — het bij het verkeerde eind hebben, zich vergissen
- mis zijn
- Niet geschoten, altijd mis. — als je het niet probeert, komt er ook niks van
Vertalingen
Engelsmass
Fransmesse
DuitsMesse, irren
Spaansmisa
Deensmesse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek