misleider
mannelijk (de)/mɪsˈlɛidər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die een ander onjuiste informatie geeft om de houding of het gedrag van die ander te veranderenHet profetenvak staat in een kwade reuk. Iemand die meer onheil voorspelt, wordt op het ogenblik dat hij dit doet, uitgemaakt voor mopperaar, somberaar, doemdenker. Intussen worden, als het goed is, wel de voorzorgsmaatregelen genomen, om datgene wat hij voorspeld heeft, te vermijden. (…) Als de werkelijke toekomst is aangebroken, hoort hij dat hij „de plank volledig heeft misgeslagen”. Mutatis mutandis hoort hij hetzelfde als hij verzekert dat het allemaal wel los zal lopen en iedereen rustig kan gaan slapen. Dat wil iedereen graag geloven, en handelt daarnaar. Dan barst de bom, en deze voorspeller gaat de geschiedenis in als een historische misleider.
Etymologie
* "misleid" met de uitgang -er
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek