mist
mannelijk (de)/mɪst/
Wat is de betekenis van mist?
mist betekent: (meteorologie) laaghangende bewolking die het zicht belemmert
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) laaghangende bewolking die het zicht belemmert
Voorbeelden van "mist" in een zin
- Loopt het zicht verder terug dan 1 km, dan spreekt men van mist.
- Alleen trok de mist rondom mij maar niet op.
- 'Dat zware fluweel heb je nodig om de mist van de gracht buiten te houden,' merkt Maren op.
Etymologie
* In de betekenis van ‘verdichting van waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Vertalingen
Engelsfog
Fransbrouillard
DuitsNebel
Spaansniebla, neblina
Poolsmgła
Zweedsdimma
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek