mistigheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin het mistig is
    In de loop van de ochtend zal de mistigheid afnemen.
  2. de mate waarin iemand onduidelijk en vaag is
    De jargonloze zin is, schat ik, rond de eeuwwisseling ontstaan. De jargonloze zin dankt zijn bestaan aan de groei van de mediatrainers, die politici afleerden in afkortingen en andere mistigheid te spreken. Politiek draait nu om instant helderheid. NRC 24 mei 2016 Tom-Jan Meeus

Etymologie

* afleiding van mistig

Vertalingen

Engelsmistiness, vagueness